In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven het hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland behandeld. De staatssecretaris had een bestuurlijke boete opgelegd aan een melkveehouder wegens overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen in 2011. De rechtbank had het beroep tegen het eerste bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tweede bestreden besluit gegrond verklaard, waarbij de boete werd vernietigd.
De kern van het geschil betrof de berekening van de hoeveelheid stikstof die de veehouder had gebruikt en de verhouding tussen stikstof en fosfaat in de mest. De rechtbank oordeelde dat de berekening van de staatssecretaris leidde tot een irreële stikstof-fosfaatverhouding en dat de staatssecretaris zich niet zonder nadere motivering op het standpunt mocht stellen dat de veehouder 3.945 kg stikstof had aangewend.
Het College heeft in hoger beroep overwogen dat de bewijslast voor het aannemelijk maken dat de gebruiksnormen niet zijn overschreden bij de veehouder ligt, maar dat de staatssecretaris concreet moet aantonen dat de overtreding is begaan. Tevens is geoordeeld dat de staatssecretaris niet tijdig inzicht heeft gegeven in de gehanteerde marges, waardoor de veehouder niet adequaat kon reageren op het vermoeden van onregelmatige mestafvoer. Het hoger beroep van de staatssecretaris is daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.