Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om zijn woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de aanwezigheid van 58 hennepplanten, wat een handelshoeveelheid betreft. De burgemeester beriep zich op de bevoegdheid tot woningsluiting en het gemeentelijk beleid dat bij een eerste constatering van softdrugs een sluiting van drie maanden passend is.
De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel de burgemeester bevoegd was tot sluiting, het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd. Er was geen bewijs van feitelijke handel, overlast of contact met het criminele milieu. De aanwezigheid van de kwekerij was klein en er was geen sprake van stroomdiefstal of aannemelijk brandgevaar. Het besluit ontbrak aan een goede afweging van de belangen en de gevolgen voor het huisrecht.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Verzoeker mocht in de woning blijven tot die tijd. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.