Eiser huurde een woning in Tilburg waar illegale prostitutieactiviteiten werden vastgesteld. Op 6 november 2019 trof de politie twee sekswerkers aan in de woning, die verklaarden dat zij klanten ontvingen en dat eiser hiervan op de hoogte was of had kunnen zijn. Het college legde daarop een last onder dwangsom op en vorderde een verbeurde dwangsom van €1.000,- wegens overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).
Eiser voerde aan niet op de hoogte te zijn geweest van de prostitutieactiviteiten en betwistte de invordering van de dwangsom, onder meer vanwege zijn financiële situatie en de aantasting van zijn goede naam. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet wist of kon weten van de illegale activiteiten, mede gelet op de verklaringen van de sekswerkers en de bevindingen van toezichthouders.
De rechtbank bevestigde dat het college bevoegd was tot het opleggen en invorderen van de dwangsom en dat het bestreden besluit niet in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel. De door eiser aangevoerde omstandigheden waren onvoldoende om af te zien van invordering. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.