Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Motivering
- het jaar 2005 (zaaknummer 18/4097);
- het jaar 2006 (zaaknummer 18/4698).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2005 en 2006. Hij stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat hij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
Na verzoek om nadere motivering en instemming met een vervangende betaling als bedoeld in een eerdere Hoge Raad-beslissing, heeft belanghebbende niet gereageerd. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de verzoeken heeft afgewezen omdat belanghebbende niet heeft ingestemd met de vervangende betaling. Daarnaast heeft belanghebbende onvoldoende feiten gesteld omtrent het belastingverdrag met Duitsland en de tijdigheid van het verzoek.
Omdat geen recht op teruggaaf bestaat, is ook geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting. De beroepen worden daarom kennelijk ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de teruggaafverzoeken dividendbelasting worden ongegrond verklaard.