Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 17 juni 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres], te [naam woonplaats], eiseres,
Procesverloop
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
- 2.984,44 +
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van haar WIA-maandloon en loonaanvullingsuitkering die door het UWV zijn vastgesteld. Zij stelt dat het loon lager is dan het WW-dagloon, omdat het is berekend op basis van een combinatie van het WW-dagloon en lagere inkomsten uit werk naast de WW-uitkering. Eiseres vindt deze wettelijke regeling onredelijk en wenst dat het hogere WW-/ZW-dagloon wordt gehanteerd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het UWV het WIA-dagloon heeft berekend op grond van de referteperiode van 1 augustus 2016 tot en met 31 juli 2017, conform artikel 13 van Pro de WIA en het Dagloonbesluit. De inkomsten uit WW en arbeid in deze periode zijn juist meegenomen. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep die bevestigen dat de rechter formele wetgeving niet kan toetsen op billijkheid of grondwettigheid.
De rechtbank concludeert dat het UWV de wettelijke bepalingen correct heeft toegepast en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. Het beroep van eiseres wordt daarom ongegrond verklaard en het vastgestelde WIA-maandloon en loonaanvullingsuitkering blijven gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van het WIA-dagloon en loonaanvullingsuitkering wordt ongegrond verklaard.