ECLI:NL:CRVB:2019:4144
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berekening WIA-dagloon ondanks detentie zonder loon
Appellant was in 2013 in voorlopige hechtenis gesteld wegens verdenking van een drugsdelict en ontving in die periode geen loon. Na vrijspraak en terugkeer op het werk viel hij uit wegens psychische klachten. Het UWV stelde het WIA-dagloon vast op basis van de referteperiode 2013, waarbij het loonverlies door detentie niet werd gecompenseerd.
Appellant voerde aan dat de referteperiode niet representatief was door de detentie en dat het Dagloonbesluit geen rekening houdt met loonverlies door detentie, wat volgens hem onredelijk en punitief was. De rechtbank en de Raad oordeelden dat de wettelijke bepalingen strikt gevolgd moeten worden en dat de rechter geen ruimte heeft om de billijkheid van de wet te toetsen.
De Raad benadrukte dat het Dagloonbesluit geen uitzondering bevat voor detentie en dat het lage dagloon voortvloeit uit de wettelijke systematiek, niet uit een sanctie. Ook is geen sprake van een punitieve sanctie of criminal charge in de zin van het EVRM. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de berekening van het WIA-dagloon conform het Dagloonbesluit bevestigd ondanks de detentie zonder loon.