ECLI:NL:CRVB:2014:730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag en dagloon bij WIA-uitkering
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de hoogte van het dagloon waarop zijn IVA-uitkering is gebaseerd. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast op 11 september 2006 en het dagloon op €58,96. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat er geen medische onderbouwing was voor een eerdere arbeidsongeschiktheidsdatum.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, met name over de referteperiode voor de dagloonberekening. Hij stelde dat de door het Uwv gehanteerde periode onvoldoende recht deed aan zijn daadwerkelijke loonderving en niet strookte met de uitgangspunten van de Wet Walvis. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het oordeel van de rechtbank over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht was, omdat appellant geen medische stukken had overgelegd die een eerdere datum ondersteunden.
Verder bevestigde de Raad dat het Uwv het dagloon correct had vastgesteld op basis van artikel 13 van Pro de Wet WIA en het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, waarbij het refertejaar van 1 september 2005 tot en met 31 augustus 2006 juist was vastgesteld. De Raad wees erop dat het niet aan de rechter is om formele wetgeving zoals de Wet WIA te toetsen aan de grondwet of aan de toelichting van andere wetten, en dat eventuele onredelijke effecten van de dagloonsystematiek door de wetgever moeten worden aangepakt.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en het dagloon bevestigd.