Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, waarin de inkomensafhankelijke combinatiekorting niet werd toegekend. De kinderen van belanghebbende stonden niet op zijn adres ingeschreven, maar op dat van zijn ex-partner. De echtscheidingsbeschikking van december 2018 bepaalde dat de kinderen drie weekenden per maand bij belanghebbende verbleven, met specifieke regeling afhankelijk van diens werktijden.
De kern van het geschil betrof de vraag of de kinderen gedurende 2018 gemiddeld ten minste drie gehele dagen per week bij belanghebbende verbleven, zodat zij als behorend tot zijn huishouden konden worden beschouwd volgens artikel 44b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende stelde dat de zorg gelijkelijk was verdeeld, maar kon dit niet onderbouwen met bewijsmiddelen zoals urenoverzichten of verklaringen.
De rechtbank oordeelde dat de echtscheidingsbeschikking het meest betrouwbare bewijs vormt en dat het aantal dagen verblijf bij belanghebbende te gering is voor toepassing van de korting. Het ontbreken van nadere specificaties en het feit dat de moeder niet werkt, maakten het aannemelijk dat de kinderen niet vaker bij belanghebbende verbleven dan in de beschikking vermeld. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt niet toegekend.