Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Griffierecht en proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en zorgverzekeringswet (ZVW) over de jaren 2013 tot en met 2016, inclusief boetebeschikkingen en belastingrente. De inspecteur had deze aanslagen opgelegd na een fiscaal onderzoek dat was gestart naar aanleiding van strafrechtelijke onderzoeken waarbij onder meer contante kastekorten werden vastgesteld.
Belanghebbende stelde dat zijn inzagerecht en recht op het indienen van een zienswijze waren geschonden omdat de inspecteur niet had gereageerd op een brief van zijn gemachtigde. De rechtbank oordeelde dat het inzagerecht inderdaad was geschonden, maar dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij hierdoor benadeeld was. Ook in de bezwaarfase was sprake van een schending van het inzagerecht, maar zonder rechtsgevolgen omdat het betreffende stuk niet van belang was voor het geschil.
De rechtbank stelde vast dat de navorderingsaanslagen terecht waren opgelegd omdat belanghebbende meer inkomsten had genoten dan aangegeven en dit bewust had verzwegen. De boetebeschikkingen werden bevestigd, maar gematigd met 15% vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 17 maanden. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De boetebeschikkingen worden vernietigd en gematigd met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl de navorderingsaanslagen worden bevestigd.