Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[subfonds 1] en [subfonds 2],gevestigd te [plaats] (Verenigde Staten),
1.Motivering
- het jaar 2008/2009 (zaaknummer 18/3959);
- het jaar 2009/2010 (zaaknummer 18/3960);
- het jaar 2010/2011 (zaaknummer 18/3961).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen uitspraken op bezwaar waarin verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2008/2009, 2009/2010 en 2010/2011 zijn afgewezen. Het beroep is gebaseerd op het Unierecht en de stelling dat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi), waardoor recht op teruggaaf zou bestaan.
De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen die aan de Hoge Raad zijn voorgelegd. Na beantwoording door de Hoge Raad en het uitblijven van nadere motivering door belanghebbende, oordeelt de rechtbank dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Dit volgt uit het overgangsrecht van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 en de uitspraak van de Hoge Raad dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het niet toekennen van tegemoetkoming aan buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen.
Verder is vastgesteld dat belanghebbende geen recht heeft op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de participanten in het fonds aanspraak kunnen maken op teruggaaf. De beroepen worden daarom kennelijk ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting worden ongegrond verklaard.