ECLI:NL:HR:2021:506
Hoge Raad
- Prejudiciële beslissing
- M.E. van Hilten
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over afdrachtvermindering dividendbelasting en vrij verkeer van kapitaal voor buitenlandse beleggingsinstellingen
Belanghebbende, een in de Verenigde Staten gevestigde beleggingsinstelling, verzocht om teruggaaf van ingehouden Nederlandse dividendbelasting over de boekjaren 2006/2007 tot en met 2010/2011. De Inspecteur wees deze verzoeken af, waarna belanghebbende bezwaar en beroep instelde, die werden verworpen door rechtbank en hof. Het Hof stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de verenigbaarheid van de Nederlandse regeling van afdrachtvermindering met het vrije verkeer van kapitaal.
De Hoge Raad verwees naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Köln-Aktienfonds Deka (C-156/17), waarin werd geoordeeld dat het weigeren van teruggaaf van dividendbelasting aan buitenlandse beleggingsinstellingen een verboden belemmering kan vormen. De Hoge Raad onderscheidde echter de afdrachtvermindering van de teruggaafregeling, omdat de afdrachtvermindering afhankelijk is van de winstuitdeling en kostenstructuur van de fiscale beleggingsinstelling, waardoor deze economisch wezenlijk verschilt.
De Hoge Raad concludeerde dat het niet toekennen van de afdrachtvermindering aan buitenlandse beleggingsinstellingen, die niet inhoudingsplichtig zijn voor dividendbelasting in Nederland, geen belemmering vormt van het vrije verkeer van kapitaal. De vragen over mogelijke beperkingen en remedies behoeven daarom geen beantwoording. De beslissing werd gegeven door de vice-president en raadsheren op 9 april 2021.
Uitkomst: Het vrije verkeer van kapitaal wordt niet belemmerd door het niet toekennen van de afdrachtvermindering aan buitenlandse beleggingsinstellingen.