ECLI:NL:RBZWB:2021:4231
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Recht op WW-uitkering bij betwisting passend werk en hoor- en wederhoor
Eiser was uitzendkracht en vroeg per 1 maart 2020 een WW-uitkering aan met ingang van 26 februari 2020. Het UWV weigerde de uitkering omdat eiser volgens hen passende arbeid niet had behouden door niet te zijn verschenen op het werk tussen 26 februari en 2 maart 2020. De rechtbank oordeelt dat het UWV dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. Het UWV baseerde zich alleen op enkele e-mails en een telefoongesprek zonder aantekeningen en heeft geen hoor- en wederhoor toegepast, waardoor het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was.
Eiser heeft onweersproken gesteld dat hij op 26 februari 2020 niet was ingepland om te werken en heeft zijn werkzaamheden op 3 maart 2020 hervat. Dit werd bevestigd door een e-mail van die datum. De rechtbank concludeert dat het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Hierdoor heeft eiser recht op uitbetaling van de WW-uitkering.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiser vergoed en wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van € 2.244,-. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt vernietigd, met opdracht tot een nieuw besluit en vergoeding van kosten.