Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2019, omdat erflater in dat jaar was overleden. Hij stelde dat het maximum premie-inkomen tijdsevenredig verlaagd moest worden, aangezien erflater slechts een deel van het jaar premieplichtig was.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse regelgeving, waaronder de Regeling Wet financiering sociale verzekeringen, expliciet geen tijdsevenredige verlaging toepast in geval van overlijden. Deze regeling volgt een oude ministeriële regeling die dit ook niet voorzag, mede omdat bij migratie binnen de EU wel premie in het buitenland wordt afgedragen, wat bij overlijden niet het geval is.
Belanghebbende voerde aan dat het niet toepassen van tijdsevenredige verlaging onredelijk en onrechtvaardig is en in strijd met het EG-Verdrag en het EVRM. De rechtbank verwierp dit, omdat geen specifieke verdragsbepaling werd genoemd en de belastingregelgever binnen zijn beoordelingsvrijheid bleef.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2019 wordt ongegrond verklaard; geen tijdsevenredige verlaging bij overlijden.