Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting opgelegd na het overlijden van erflaatster, waarbij certificaten van aandelen in een B.V. werden gewaardeerd op €7.000.000 zonder toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling. De rechtbank onderzocht of het vermogen van de B.V. als ondernemingsvermogen kon worden aangemerkt volgens artikel 35c SW, waarbij de arbeid-plus en rendement-plus toets centraal stond.
Belanghebbende stelde dat hij intensief beheer voerde en dat er sprake was van projectontwikkeling en verbetering van rendement, maar de rechtbank vond onvoldoende bewijs dat de werkzaamheden uitstegen boven normaal vermogensbeheer en dat het rendement het normale rendement oversteeg. Hierdoor werd de bedrijfsopvolgingsregeling niet toegepast.
De waardering van de certificaten door belanghebbende op basis van de DCF-methode werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing, terwijl de inspecteur aannemelijk maakte dat de waarde minimaal €7.779.000 bedroeg, gebaseerd op taxatierapporten en correcties voor belastinglatentie en incourantheid.
De heffingsrente van €15.661 werd gehandhaafd omdat de inspecteur tijdig een voorlopige aanslag had kunnen opleggen en de overschrijding niet aan de Belastingdienst kon worden toegerekend. Ten slotte werd een schadevergoeding van €5.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in deze en een gerelateerde procedure.