Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Motivering
- het jaar 2014 (zaaknummer 19/2349);
- het jaar 2015 (zaaknummer 19/2350);
- het jaar 2016 (zaaknummer 19/2351).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een in Luxemburg gevestigde entiteit, heeft beroep ingesteld tegen uitspraken op bezwaar waarin verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2014, 2015 en 2016 zijn afgewezen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht op teruggaaf bestaat, omdat zij vergelijkbaar zou zijn met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Na het uitblijven van nadere motivering van het beroep ondanks meerdere verzoeken, heeft de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordeeld. Daarbij is het overgangsrecht van artikel XXVI van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 van belang, dat bepaalt dat voor boekjaren vanaf 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering geldt.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor tegemoetkoming via de afdrachtvermindering, omdat zij niet inhoudingsplichtig zijn voor dividendbelasting. Dit betekent dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting en evenmin op rentevergoeding over de ingehouden belasting.
Verder is niet aannemelijk gemaakt dat de participanten in het fonds aanspraak kunnen maken op teruggaaf in deze procedure. De rechtbank verklaart de beroepen dan ook kennelijk ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van teruggaafverzoeken dividendbelasting worden ongegrond verklaard.