ECLI:NL:RBZWB:2021:4619

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 september 2021
Publicatiedatum
16 september 2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2349
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 11a Wet op de dividendbelasting 1965Stb. 2007, 563Artikel XXVI Wet Overige fiscale maatregelen 2008
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing teruggaafverzoeken dividendbelasting voor buitenlandse beleggingsinstelling

Belanghebbende, een in Luxemburg gevestigde entiteit, heeft beroep ingesteld tegen uitspraken op bezwaar waarin verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2014, 2015 en 2016 zijn afgewezen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht op teruggaaf bestaat, omdat zij vergelijkbaar zou zijn met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).

De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Na het uitblijven van nadere motivering van het beroep ondanks meerdere verzoeken, heeft de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordeeld. Daarbij is het overgangsrecht van artikel XXVI van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 van belang, dat bepaalt dat voor boekjaren vanaf 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering geldt.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor tegemoetkoming via de afdrachtvermindering, omdat zij niet inhoudingsplichtig zijn voor dividendbelasting. Dit betekent dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting en evenmin op rentevergoeding over de ingehouden belasting.

Verder is niet aannemelijk gemaakt dat de participanten in het fonds aanspraak kunnen maken op teruggaaf in deze procedure. De rechtbank verklaart de beroepen dan ook kennelijk ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van teruggaafverzoeken dividendbelasting worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 19/2349 tot en met 19/2351
uitspraak van 16 september 2021
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen
[belanghebbende], gevestigd te [woonplaats] (Luxemburg),
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.

1.Motivering

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraken op bezwaar op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende periodes, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
  • het jaar 2014 (zaaknummer 19/2349);
  • het jaar 2015 (zaaknummer 19/2350);
  • het jaar 2016 (zaaknummer 19/2351).
Belanghebbende stelt – kort gezegd – met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi).
De zaken zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording door de Hoge Raad van prejudiciële vragen door deze rechtbank. Bij brief van 9 maart 2021 heeft de rechtbank belanghebbende in de gelegenheid gesteld om het beroep binnen vier weken (nader) te motiveren. Bij aangetekende rappel van 2 augustus 2021, welke volgens gegevens van PostNL is ontvangen op 3 augustus 2021, heeft de rechtbank belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen 4 weken het beroep (nader) te motiveren. Op deze brieven heeft de rechtbank geen reactie ontvangen.
Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 [1] , is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering [2] van belang.
De rechtbank is van oordeel dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen, reeds gelet op het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. [3]
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
Tot slot, in het beroepschrift is gemeld dat het beroepschrift mede is ingediend namens de participanten in het fonds. Er is echter op geen enkele wijze beargumenteerd dat de participanten wel aanspraak zouden kunnen maken op teruggaaf van de dividendbelasting in deze procedure tegen de uitspraken op bezwaar.
De beroepen zijn daarom kennelijk ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

2.Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier, op 16 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Stb. 2007, 563.
2.Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.