De gemeenten Middelburg en Vlissingen hebben beroep ingesteld tegen meerdere besluiten van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake de voorlopige en definitieve gebundelde uitkeringen Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 voor de jaren 2017 tot en met 2021. Zij stellen dat de toegekende budgetten onvoldoende zijn en dat het verdeelmodel ondoorgrondelijk en onrechtvaardig is, met name door tekortkomingen in de variabele 'beschikbaarheid van werk'.
De rechtbank heeft het geschil inhoudelijk onderzocht, waarbij onder meer is gekeken naar het wettelijke kader, de werking van het verdeelmodel, de gegevensverstrekking door de staatssecretaris en de door eisers aangevoerde tekortkomingen. De rechtbank oordeelt dat het verdeelmodel, dat sinds 2015 is geïntroduceerd en sindsdien is verbeterd en verfijnd met betrokkenheid van deskundigen en de VNG, een ruime beslissingsruimte toekomt en niet buiten toepassing kan worden gelaten. Het black box-karakter is onvoldoende om het model te verwerpen, mede omdat de benodigde gegevens en toelichtingen beschikbaar zijn gesteld.
Inhoudelijk zijn de door eisers aangedragen gemeente-specifieke factoren onvoldoende onderbouwd en te specifiek om tot aanpassing van het model te leiden. De verschillen in herverdeeleffecten tussen de gemeenten kunnen worden verklaard door verschillen in gemeentelijk beleid en kenmerken. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond, handhaaft de toegekende budgetten en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de door eisers betaalde griffierechten en proceskosten wegens late verstrekking van gegevens over de AvG-variabele 'beschikbaarheid van werk'.