Eiser diende op 9 juli 2019 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering en verzocht tevens om herinschrijving in de Basisregistratie Personen (Brp). Op 16 juli 2019 vond een huisbezoek plaats in het kader van de Brp-inschrijving, waarbij bleek dat de woning in slechte staat verkeerde en er geen douche of keuken aanwezig waren. Op 25 juli 2019 wilde het college een huisbezoek afleggen vanwege twijfels over de woonsituatie van eiser, maar eiser weigerde dit huisbezoek, ondanks herhaald verzoek.
Het college wees daarop de aanvraag om bijstand af omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld zonder medewerking aan het huisbezoek. Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij wel woonde op het opgegeven adres en dat hij het huisbezoek op 25 juli niet kon toestaan omdat hij nog aan het opruimen was. De rechtbank oordeelde dat het huisbezoek op 25 juli 2019 op goede gronden was ingesteld vanwege de bevindingen van het eerdere huisbezoek en dat eiser niet had voldaan aan zijn medewerkingsplicht.
De rechtbank concludeerde dat het belang van het college om het huisbezoek onverwijld af te leggen zwaarder woog dan de door eiser aangevoerde redenen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.