Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zijn arbeidsongeschiktheid op 4 oktober 2019 werd vastgesteld op 31,12%, onder de vereiste 35% voor een uitkering. Eiser voerde aan dat zijn psychische klachten, waaronder een depressie, onvoldoende zijn meegewogen en dat hij niet in staat is tot duurzame arbeid.
De rechtbank baseert zich op medische rapportages van verzekeringsartsen van het UWV, die de beperkingen van eiser zorgvuldig hebben vastgesteld en concluderen dat hij belastbaar is voor 32 uur per week met licht belastend werk. De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de door eiser aangevoerde aanvullende medische stukken geen aanleiding geven tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsartsen.
Ook de arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd die passend zijn bij de beperkingen van eiser. De rechtbank ziet geen reden om deze functies ongeschikt te achten. De berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van deze functies leidt tot minder dan 35%, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestaat.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter E.J. Govaers op 1 november 2021.