Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2005, 2011, 2013 en 2017. De inspecteur heeft deze verzoeken afgewezen en de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding of op grond van artikel 65 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
De rechtbank heeft het procesverloop per jaar onderzocht. Voor 2005 is de aanslag reeds verminderd conform eerdere uitspraken, maar de beslissing op het verzoek tot verdere vermindering is niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Voor 2011 en 2013 zijn de bezwaarschriften te laat ingediend, waarbij belanghebbende het risico van late ontvangst vanuit het buitenland draagt. Voor 2017 is het bezwaar ongegrond omdat de aanslag correct is vastgesteld, ondanks een vermeende 'schone lei verklaring'.
Belanghebbende heeft ook een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar dit is afgewezen omdat de termijn van twee jaar niet is overschreden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaart de beroepen ongegrond.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende tegen de afwijzing van verzoeken om ambtshalve vermindering van IB/PVV-aanslagen zijn ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.