ECLI:NL:RBZWB:2021:6183

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 november 2021
Publicatiedatum
3 december 2021
Zaaknummer
AWB- 21_4091 VV, AWB- 21_4092 VV, AWB- 21_2522 en AWB-21_4024
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.2 WaboArt. 2.18 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunningen voor bouw loods en woning binnen agrarisch bestemmingsplan

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam om omgevingsvergunningen te verlenen voor het bouwen van een loods en een woning met bijgebouw op een agrarisch perceel. Zij vorderden tevens een voorlopige voorziening om de bouwactiviteiten stil te leggen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekers voldoende belanghebbende zijn vanwege de nabijheid van hun perceel en de te verwachten gevolgen zoals zicht op het bouwplan en toename van verkeer. Het geschil concentreert zich op de vraag of de bouwactiviteiten passen binnen het bestemmingsplan en of sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

De rechtbank ging in op het deskundigenadvies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB) en het tegenrapport van een door verzoekers ingeschakelde ingenieur. De AAB concludeerde dat de sedumteelt grondgebonden is omdat wortels door de folie in de bodem groeien. De rechtbank stelde vast dat de AAB ter plaatse was geweest en het advies betrouwbaar was, terwijl het tegenrapport minder gewicht kreeg.

Ook het archeologisch onderzoek van Transect werd beoordeeld en geaccepteerd als voldoende representatief. De rechtbank concludeerde dat het college het besluit zorgvuldig heeft genomen en dat de bezwaren van verzoekers onvoldoende zijn om het beroep toe te wijzen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunningen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 21/4091, 21/4092, 21/2522 en 21/2524

uitspraak van 8 november 2021 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

1. [naam verzoekers 1]te [vestigingsplaats verzoekers 1] ,
2. [naam verzoekers 2]te [woonplaats verzoekers 2] ,
verzoekers,
gemachtigde: mr. J.E. Dijk,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam, verweerder.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam vergunninghouder], te [vestigingsplaats vergunninghouder] , vergunninghoudster,
gemachtigde: mr. R.M. Königel.

Procesverloop

Verzoekers hebben op 14 juni 2021 beroep ingesteld tegen het besluit van 4 mei 2021 van het college (bestreden besluit) over het verlenen van een tweetal omgevingsvergunningen aan vergunninghoudster voor activiteiten op het perceel [adres perceel] in [plaats perceel] .
Zij hebben de voorzieningenrechter op 24 september 2021 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 28 september 2021 hebben verzoekers de rechtbank gemeld dat ter plaatse graafwerkzaamheden worden verricht ter voorbereiding van de bouw van de loods waartegen de beroepen en verzoeken om voorlopige voorziening zijn gericht. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht deze werkzaamheden onmiddellijk stil te (doen) leggen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een ordemaatregel te treffen afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat volgens de gemachtigde van vergunninghoudster sprake is van voorbereidende werkzaamheden. Deze zijn volgens de gemachtigde op zich niet onomkeerbaar, en de bouwwerkzaamheden worden pas in de tweede helft van oktober verwacht.
De verzoeken zijn behandeld op zitting op 18 oktober 2021 in Breda. [naam verzoekers 2] waren daarbij aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. Zij hebben ir. [naam ingenieur] van [naam ingenieursbureau] als deskundige meegebracht. Namens het college waren aanwezig R. Krol en mr. S.M.J. Janssens. Namens vergunninghoudster waren aanwezig [naam directeur 1] en [naam directeur 2] (beiden directeur), bijgestaan door de gemachtigde.
Overwegingen
1.
Feiten
Op 18 juni 2020 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een loods en het aanleggen van een uitrit op het perceel [adres perceel] in [plaats perceel] (het perceel). Op 3 augustus 2020 heeft vergunninghoudster een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een woning met bijgebouw en het aanleggen van een uitrit op het perceel.
Bij besluiten van 25 september 2020 heeft het college aan vergunninghoudster de twee gevraagde omgevingsvergunningen verleend. De omgevingsvergunningen zijn verleend voor:
  • het bouwen van een loods en het aanleggen van een uitrit (primair besluit I); en
  • het bouwen van een woning met bijgebouw en het aanleggen van een uitrit (primair besluit II).
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.
Bij het bestreden besluit heeft het college, conform het advies van de commissie bezwaarschriften, de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd, onder aanvulling van de motivering ten aanzien van de noodzaak tot het verwijderen van de bestaande uitrit en het aanleggen van de nieuwe uitritten. Ook is de motivering aangevuld met de voorwaarde dat de woning pas gebouwd mag worden als de bestaande woning is gesloopt. Aan het bestreden besluit heeft het college de volgende stukken toegevoegd:
  • een nieuwe Aeriusberekening;
  • het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB) van 24 december 2020;
  • het archeologisch rapport van 26 januari 2021; en
  • het welstandsadvies van 15 november 2020.
2.
Spoedeisend belang
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Vergunninghoudster is al begonnen met de voorbereidende werkzaamheden en zal op zeer korte termijn met de bouwwerkzaamheden beginnen. Gelet op de onomkeerbaarheid van deze werkzaamheden ziet de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang om de verzoeken om voorlopige voorziening te behandelen.
3.
Kortsluiting
De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
4.
Belanghebbende
4.1
Vergunninghoudster heeft de vraag opgeworpen of verzoekers [naam verzoekers 2] belanghebbende zijn bij het bestreden besluit.
Volgens de gemachtigde van vergunninghoudster is de afstand tussen het perceel van deze verzoekers, [adres verzoekers 2] in [woonplaats verzoekers 2] , en het perceel [adres perceel] in [plaats perceel] niet zo groot, maar hebben zij straks niet of nauwelijks zicht op het bouwplan van vergunninghoudster, mede door tussenliggende bosschages.
4.2
Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
4.3
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit.
Het criterium "gevolgen van enige betekenis" dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. [1]
4.4
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers [naam verzoekers 2] zijn gevestigd en wonen op het perceel [adres verzoekers 2] in [woonplaats verzoekers 2] . Uit de satellietfoto in het dossier volgt dat dit perceel is gelegen op een afstand van circa 250 meter van het perceel [adres perceel] . Verder hebben verzoekers straks enig zicht op het bouwplan, in ieder geval op de daklijn. Daarnaast vrezen zij een toename van verkeer in hun directe omgeving als gevolg van de bouwplannen. Ten slotte hebben deze verzoekers ter zitting onweersproken verklaard dat zij meerdere gronden bezitten in de onmiddellijke nabijheid van het perceel [adres perceel] .
Gelet op deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze verzoekers gevolgen van enige betekenis zullen ervaren als gevolg van de verleende omgevingsvergunningen en zij dus belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit.
5.
Omvang geschil
5.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen beroepsgronden zijn aangevoerd tegen het aanleggen van de uitritten, zodat die activiteit [2] buiten beschouwing kan blijven. Het geschil ziet dus uitsluitend op de activiteit: bouwen van de loods en de woning.
5.2
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a) het bouwen van een bouwwerk.
Op grond van artikel 2.10 eerste lid, van de Wabo bepaalt – kort gezegd – dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de aangevraagde activiteit niet voldoet aan (a) het Bouwbesluit, (b) de bouwverordening, (c) het bestemmingsplan of (d) redelijke eisen van welstand.
6.
Stikstofdepositie
6.1
Het college heeft op aanraden van de commissie bezwaarschriften in de besluitvorming een beoordeling gegeven van de effecten van stikstofemissie als gevolg van de verleende omgevingsvergunningen. In het licht van het bovenstaande toetsingskader kan de voorzieningenrechter de discussie tussen partijen over stikstofdepositie echter niet plaatsen.
6.2
De gemachtigde van verzoekers erkent dat sprake is van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarbij het stelsel van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo geldt. Hij stelt echter dat verzoekers vrezen dat het bestreden besluit op dit punt onherroepelijk wordt en zij in eventuele andere procedures nadeel kunnen ondervinden van die omstandigheid. De voorzieningenrechter volgt verzoekers hierin niet.
6.3
Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers in aanvulling hierop gesteld dat er een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist, dat er een aanhaakplicht geldt en dat de vergunningen gecoördineerd behandeld hadden moeten worden.
De voorzieningenrechter overweegt dat de aan hem voorliggende omgevingsvergunningen geen betrekking hebben op de activiteit ‘natuur’ [3] . Voor zover een vergunning op grond van de Wnb vereist zou zijn, is het loskoppelen van een aangehaakte verklaring van geen bedenkingen volgens de rechtspraak van de AbRS toegestaan. [4] Er is geen sprake van het verplicht aanhaken van een vergunning op grond van de Wnb [5] .
Vergunninghoudster heeft de keuze gemaakt om geen Wnb-vergunning aan te vragen. Als verzoekers vinden dat dit onterecht is, kunnen zij een verzoek om handhaving indienen en de gevolgen voor de natuur, waartoe stikstofdepositie behoort, in dat kader aanvechten.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter behoeft dit onderwerp geen verdere bespreking, aangezien de activiteit natuur geen onderdeel uitmaakt van de aan hem ter beoordeling voorliggende omgevingsvergunningen. Dit brengt tevens met zich dat het antwoord op de vraag of de betrokken normen van de Wnb strekken tot bescherming van belangen van verzoekers [naam verzoekers 2] (relativiteitsvereiste [6] ), in het midden kan blijven.
7.
Grondgebonden agrarisch bedrijf
7.1
Het perceel is gelegen in het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” en heeft daarin de enkelbestemming “Agrarisch-Agrarisch bedrijf” en de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 2”. Daarnaast heeft het perceel de functieaanduiding “Bedrijfswoning” en de gebiedsaanduidingen “Overige zone- overig- bebouwingsconcentratie” en “reconstructiewetzone – extensiveringsgebied”.
De voor “Agrarisch-Agrarisch bedrijf” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. grondgebonden agrarische bedrijven (..).
In de begripsbepalingen wordt grondgebonden agrarisch bedrijf als volgt gedefinieerd:
Een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden behorend bij het bedrijf. (..)
7.2
Het college stelt zich op het standpunt dat beide bouwplannen, voor wat betreft de activiteit “het (ver)bouwen van een bouwwerk”, passen binnen het bestemmingsplan omdat het bedrijf van vergunninghoudster is aan te merken als een grondgebonden agrarisch bedrijf.
Het college heeft in de bezwaarfase advies gevraagd aan de AAB. De AAB heeft op 24 december 2020 advies uitgebracht. Kort samengevat is de AAB door een bedrijfsbezoek en inzicht in de boekhouding tot de conclusie gekomen dat de bedrijfsvoering van vergunninghoudster in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond. De AAB is tot deze conclusie gekomen omdat bleek dat nagenoeg 85% van de omzet wordt gegenereerd met de verkoop van sedum matten. De teelt van sedum matten vindt plaats op een bovenlaag van doorlatende onderfolie, kokos en substraat. De sedum planten wortelen in de in de dunne bovenlaag van substraat en wortelen door de gaatjes in de folie in de ondergrond. Deze doorworteling in de onder de folie gelegen cultuurgrond maakt dat de teelt, ook gelet op de dunne substraatlaag, mede groeit in de cultuurgrond onder de folie. Daarom is de teelt van sedum matten afhankelijk van het voortbrengend vermogen van de onbebouwde grond aan [adres perceel] , zo stelt de AAB.
7.3
Verzoekers stellen dat geen sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf.
Zij stellen dat de teelt van sedum plaatsvindt op een voor wortels ondoorlatende folie; de gaatjes in dit folie zijn alleen noodzakelijk om overtollig hemel- en/of beregeningswater door te laten. Op het folie ligt een luchtig geweven kokosmat. Die wordt gevuld met substraat en daarop wordt het sedum geteeld. Het folie heeft tot doel om te voorkomen dat de sedum in de ondergrond gaat wortelen. Bij het oogsten moet het sedum makkelijk los komen van de bodem. Als het sedum wortelt in de grond, wordt het bij het oogsten ontdaan van zijn wortels en zou het teveel beschadigen. Het folie is dus bedoeld om contact met de ondergrond zoveel mogelijk te vermijden. De bedoeling is dat het sedum wortelt in het substraat en in de kokosmat die op het folie liggen, en niet in de ondergrond. Dat een klein deel van de wortels door het folie heen schiet de onderliggende bodem in, doet niet af aan het feit dat het sedum wordt gekweekt op het substraat dat bovenop het folie ligt.
Dat het sedum geen gebruik maakt van de onderliggende bodem als groeimedium, blijkt ook uit het feit dat er op de percelen een uitgebreid buizensysteem is aangelegd voor de irrigatie van het sedum. Daaruit blijkt dat de ondergrond en het (grond) water onder het folie niet noodzakelijk zijn om als voedingsbron voor het sedum te dienen. Er zitten maar op een paar plaatsen gaatjes in het folie. Als de bedoeling was dat het sedum zou wortelen in de ondergrond zouden er op veel meer plaatsen gaatjes zitten.
Ten slotte stellen verzoekers de vraag in hoeverre de AAB als deskundige kan worden beschouwd op het terrein van de sedumteelt. Sedumteelt binnen de agrarische sector vergt een specifieke kennis. De AAB-adviseur baseert zich volgens verzoekers geheel of nagenoeg geheel op wat de initiatiefnemer hem vertelt. Het college mocht niet zonder meer afgaan op dit advies, maar dit met een kritische blik moeten beoordelen, zo nodig met inschakeling van deskundigheid die specifiek op het terrein van sedumteelt ligt.
Verzoekers hebben de heer [naam ingenieur] van [naam ingenieursbureau] verzocht om een deskundigenrapport uit te brengen over de vraag of de sedumteelt van vergunninghoudster als grondgebonden agrarische teelt kan worden beschouwd. In het rapport van [naam ingenieursbureau] van 8 oktober 2021 wordt geconcludeerd dat de voorgelegde teeltwijze van sedum matten niet als grondgebonden kan worden beschouwd.
7.4
Vergunninghoudster heeft toegelicht dat in haar bedrijf bij de teelt van het sedum gebruik wordt gemaakt van lichtgewicht kokosvezel van circa 0,4 mm dikte. Dit geeft de sedum matten stevigheid, zodat deze niet uit elkaar vallen bij het oogsten. Dergelijke kokosvezel, netten of gazen worden om dezelfde reden ook gebruikt bij bijvoorbeeld de teelt van graszoden. Ook wordt een laagje substraat gebruikt van circa 1,8 cm dikte. Het substraat wordt gebruikt om de sedumplantjes een eerste start te geven. Zolang er nog geen wortels zijn gevormd zullen de plantjes enige voeding moeten krijgen.
De folie wordt alleen gebruikt om de sedum matten te beschermen tegen schade bij het oogsten. Zou de folie niet gebruikt worden, dan zouden de matten kapot worden getrokken
bij de oogst. Nadat wortels zijn gevormd groeien de wortels van het sedum door de gaatjes in de folie in de bodem. Uit de bodem wordt voeding en water verkregen. Zonder de worteling in de bodem kan het sedum niet worden geteeld. De sedum matten wortelen in de grond. De worteling in de grond is nodig om het sedum van voeding en water te voorzien. Daarom is ook sprake van een productie die geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden bij het bedrijf, zo stelt vergunninghoudster.
7.5
Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting komt de voorzieningenrechter tot het volgende oordeel.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de AAB niet bij of krachtens de wet is aangewezen als adviesorgaan, zodat zij niet kan worden aangemerkt als adviseur in de zin van artikel 3:5 van Pro de Awb. Artikel 3:9 van Pro de Awb is derhalve niet van toepassing. Dit laat onverlet dat artikel 3:2 van Pro de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan zich dient te vergewissen van de zorgvuldigheid van ieder onderzoek waarvan het de resultaten aan een besluit ten grondslag legt. De voorzieningenrechter zal hierna mede bezien of het besluit door het college is genomen in overeenstemming met artikel 3:2. [7]
Volgens vaste jurisprudentie is de AAB een onafhankelijke en onpartijdige deskundige. Het college mag in beginsel op haar advies afgaan, tenzij een tegenadvies wordt overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders, indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel ten grondslag had mogen leggen. [8]
De voorzieningenrechter overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of een agrarisch bedrijf grondgebonden is, de feitelijke situatie op dat bedrijf moet worden beoordeeld. In dit geval is de AAB ter plaatse geweest en heeft de teelt van de sedum matten op de gronden bekeken en beoordeeld. De AAB heeft vastgesteld dat de teelt van de sedum matten plaatsvindt op een bovenlaag van doorlatende onderfolie, kokos en substraat. De sedum planten wortelen in de in de dunne bovenlaag van substraat en wortelen door de gaatjes in de folie in de ondergrond. Deze doorworteling in de onder de folie gelegen cultuurgrond maakt volgens de AAB dat de teelt, ook gelet op de dunne substraatlaag, mede groeit in de cultuurgrond onder de folie.
Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft vergunninghoudster een deel van een door haar geteelde sedum mat getoond en zowel de voorzieningenrechter als partijen hebben kunnen waarnemen dat de worteling van de sedum deels door de folie in de grond plaatsvindt. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de grond wel degelijk als productiemiddel wordt gebruikt. [9] Dit maakt de aanwezigheid van de omliggende gronden ook een essentieel productiemiddel. [10] Of de worteling door de folie voor meer of minder dan 50% plaatsvindt, vindt de voorzieningenrechter niet van doorslaggevend belang. Het gaat er immers om of de totale productie van het bedrijf van vergunninghoudster geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden behorend bij het bedrijf. De AAB heeft vastgesteld dat 85% van de omzet wordt gegenereerd met de verkoop van sedum matten. De sedum matten wortelen rechtstreeks door de folie in de grond en hebben binding met de grond. Ze zijn dus “grondgebonden”. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er hier sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij de op zitting getoonde matten, het advies van de AAB en de toelichting van vergunninghoudster op haar teelt doorslaggevend zijn.
Aan het rapport van [naam ingenieursbureau] kent de voorzieningenrechter in dat licht minder betekenis toe, mede omdat [naam ingenieursbureau] de bedrijfslocatie van vergunninghoudster niet heeft bezocht en bij haar advisering gebruik heeft gemaakt van bedrijfsinformatie van andere bedrijven, zoals aanleggers van groene daken en webshops en niet van de sedum kwekerij van vergunninghoudster.
8.
Archeologie
8.1
Op grond van artikel 27.1 van het bestemmingsplan zijn de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden.
8.2
In de bezwaarfase heeft het college onderzoek laten doen naar de effecten van het bouwplan op archeologische waarden, wat heeft geresulteerd in het rapport van Transect archeologisch onderzoek en advies (Transect) van 26 januari 2021. Daarin wordt geconcludeerd dat het deel van het plangebied waarop de omgevingsvergunningen voor de bouw betrekking hebben een lage archeologische verwachtingswaarde heeft. Transect ziet daarom geen belemmering om het bouwplan te realiseren.
8.3
Verzoekers stellen dat het rapport van Transect ernstig tekort schiet. De conclusies worden niet gedragen door de feitelijke situatie ter plaatse. In de eerste plaats bevindt zich in het bos dat direct ten zuiden van de agrarische percelen aan [adres perceel] een prehistorische grafheuvel. De grafheuvel ligt op ongeveer 340 meter afstand van het plangebied. Archeologische vondsten worden regelmatig in en om het plangebied gedaan. Dat blijkt ook uit het archeologische onderzoek, waarin staat dat ten westen en ten noordwesten van het plangebied vondsten zijn aangetroffen. Deze vindplaatsen zijn relevant, aangezien de grafheuvel ten zuiden van het plangebied ligt. Daaruit blijkt dat er in een ruime straal om de grafheuvel archeologische vondsten worden gedaan.
Verder stellen verzoekers dat uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het plangebied voor een groot deel niet nader is onderzocht. In ongeveer de helft van het plangebied heeft men geen boringen kunnen doen vanwege aanwezige storthopen en betonplaten.
Ten slotte stellen verzoekers dat Transect ten onrechte aanneemt dat er in totaal graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden over een oppervlakte van ongeveer 2050 m2. Dat klopt niet; de graafwerkzaamheden strekken zich uit over een groter terrein (loods, bedrijfswoning, loading dock).
Gelet op het voorgaande menen verzoekers dat de conclusie van Transect, dat ter plaatse sprake is van lager archeologische verwachtingswaarden, redelijkerwijs niet getrokken had kunnen worden.
8.4
Vergunninghoudster is van mening dat er geen waarde toekomt aan de stellingen van verzoekers, nu er door hen geen deskundig tegenrapport is ingebracht.
Transect heeft, zoals gebruikelijk bij archeologische onderzoeken, steekproefsgewijs op verschillende locaties in het plangebied (en daarbuiten) boringen verricht. Het is gebruikelijk dat niet een geheel plangebied wordt “omgeploegd” om archeologische waarden te beoordelen, maar dat enkele punten worden bekeken. Vergunninghoudster is van mening dat het archeologisch rapport een goed beeld geeft van de archeologische waarden.
Dat niet op elke locatie is geboord, mede vanwege de storthopen en betonplaten, doet hier niet aan af. Het rapport geeft een representatief beeld van de archeologische situatie.
Hierbij is van belang dat het noordelijk deel van het plangebied sterk geroerd is. Onder andere omdat dit in de loop der jaren steeds gebruikt is door agrarische bedrijven. De archeologische niveaus zijn hierdoor dusdanig verstoord dat geen archeologische resten meer te verwachten zijn. Het heeft dan geen toevoegde waarde ter plaatse van de storthopen en betonplaten boringen te verrichten. Een en ander blijkt ook uit het aanvullend archeologisch rapport “ [titel rapport] ” van Transect van 29 september 2021. Ook de aanwezigheid van de grafheuvel zegt daarom niets.
Los daarvan heeft Transect wel degelijk de locaties van de bedrijfswoning en het loading dock beoordeeld. Vergunninghoudster wijst op de boorpunten 13 en 14 en boorpunt 10 op de kaart in bijlage 6 van het rapport ‘ [titel rapport] ” van Transect van 29 september 2021. Deze boorpunten liggen in de nabijheid van de bedrijfswoning en het loading dock. Deze boorpunten zijn overigens ook opgenomen in het archeologisch rapport van Transect van 26 januari 2021.
8.5
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het antwoord op de vraag of de betrokken norm van behoud van archeologische waarden strekt tot bescherming van belangen van verzoekers [naam verzoekers 2] (relativiteitsvereiste), in het midden kan blijven. Deze grond is immers ook door verzoekster [naam verzoekers 1] aangevoerd, zodat de voorzieningenrechter deze grond zal beoordelen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college in dit geval afgaan op de bevindingen en de conclusies van het deskundigenadvies van Transect in de rapporten van 26 januari 2021 en 29 september 2021. Verzoekers hebben geen tegenadvies overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Evenmin vertoont het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel ten grondslag had mogen leggen.
9.
Conclusies
Nu de gronden van verzoekers niet slagen, zal het beroep ongegrond worden verklaard.
Gelet daarop is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 8 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.AbRS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271 en 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:499.
2.Artikel 2.2, eerste lid, onder e, en artikel 2.18 van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2:12, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Alphen-Chaam (APV).
3.Artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo.
4.AbRS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803.
5.Artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht.
6.Artikel 8:69a van de Awb.
7.AbRS 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:466.
8.AbRS 18 oktober 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ0332.
9.Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 oktober 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:3808.
10.Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 december 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:7230.