Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Motivering
- het jaar 2008 (zaaknummer 16/2597);
- het jaar 2009 (zaaknummer 16/2598);
- het jaar 2010 (zaaknummer 16/2599);
- het jaar 2011 (zaaknummer 16/2600).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen uitspraken op bezwaar waarin zijn verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2008 tot en met 2011 zijn afgewezen. Hij stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht op teruggaaf bestaat, omdat hij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Nadat belanghebbende niet heeft gereageerd op een verzoek tot nadere motivering, heeft de rechtbank de beroepen inhoudelijk beoordeeld. Daarbij is overwogen dat het overgangsrecht van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 het regime van afdrachtvermindering voor teruggaafverzoeken vanaf het boekjaar 2008 bepaalt.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van afdrachtvermindering. Gelet hierop en het ontbreken van een recht op teruggaaf van dividendbelasting, bestaat ook geen recht op rentevergoeding. De beroepen zijn daarom kennelijk ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling is niet opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen de afwijzing van teruggaafverzoeken dividendbelasting ongegrond.