Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Motivering
- het jaar 2012 (zaaknummer 18/3918);
- het jaar 2013 (zaaknummer 18/3919);
- het jaar 2014 (zaaknummer 18/3920).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2012, 2013 en 2014. Hij stelde zich op het standpunt dat op grond van het Unierecht recht bestaat op teruggaaf omdat hij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Na beantwoording hiervan heeft de rechtbank belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn beroep nader te motiveren, maar hierop is geen reactie ontvangen.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het feit dat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor afdrachtvermindering omdat zij niet inhoudingsplichtig zijn voor dividendbelasting in Nederland. Hierdoor bestaat geen recht op teruggaaf van dividendbelasting en evenmin op rentevergoeding.
De rechtbank concludeert dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen en dat de beroepen kennelijk ongegrond zijn. Tevens is onvoldoende onderbouwd dat participanten in het fonds aanspraak kunnen maken op teruggaaf.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en de beroepen worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting worden ongegrond verklaard.