Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Motivering
- het jaar 2012 (zaaknummer 18/3924);
- het jaar 2013 (zaaknummer 18/3925);
- het jaar 2014 (zaaknummer 18/3926).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een buitenlandse entiteit gevestigd in de Verenigde Staten, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2012, 2013 en 2014. Zij stelde zich op het standpunt dat zij, gelet op het Unierecht, vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) en daarom recht heeft op teruggaaf.
De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Na ontvangst van een verzoek tot nadere motivering van het beroep heeft belanghebbende geen reactie gegeven. De rechtbank overweegt dat op grond van het overgangsrecht van de wet Overige fiscale maatregelen 2008 het regime van afdrachtvermindering geldt voor boekjaren vanaf 1 januari 2008.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor afdrachtvermindering omdat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn. Daarom bestaat geen recht op teruggaaf van dividendbelasting en evenmin op rentevergoeding. Ook is onvoldoende onderbouwd dat participanten in het fonds aanspraak kunnen maken op teruggaaf. De beroepen worden daarom kennelijk ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de beroepen af en verklaart deze ongegrond.