Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Motivering
- het jaar 2012 (zaaknummer 18/3930);
- het jaar 2013 (zaaknummer 18/3931);
- het jaar 2014 (zaaknummer 18/3932).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een in het buitenland gevestigde entiteit, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2012, 2013 en 2014. Het beroep was gebaseerd op een beroep op het Unierecht en de stelling dat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).
De rechtbank heeft de zaken aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Na ontvangst van een verzoek om nadere motivering heeft belanghebbende niet gereageerd. De rechtbank overweegt dat op grond van het overgangsrecht en de wetgeving voor boekjaren vanaf 1 januari 2008 het regime van afdrachtvermindering van toepassing is.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buitenlandse beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor tegemoetkomingen in de dividendbelasting. Derhalve bestaat geen recht op teruggaaf of rentevergoeding. Ook is onvoldoende onderbouwd dat participanten aanspraak kunnen maken. De beroepen zijn daarom kennelijk ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf dividendbelasting worden ongegrond verklaard.