Eisers ontvingen een bijstandsuitkering en kregen van Baanbrekers een boete opgelegd wegens het niet nakomen van hun inlichtingenplicht over contante stortingen en bijschrijvingen van derden. Baanbrekers stelde dat eisers onvoldoende inzicht hadden gegeven in hun geldstromen, wat leidde tot een terugvordering en boete.
De rechtbank oordeelde dat de overtreding van de inlichtingenplicht vaststaat, aangezien eisers niet hebben aangetoond dat zij de stortingen correct hadden gemeld of dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid. De boete werd vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag, conform het beleid, en gemaximeerd op €5.400.
Het beroep tegen de betalingsregeling werd niet-ontvankelijk verklaard omdat deze inmiddels was aangepast. De rechtbank veroordeelde Baanbrekers tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eisers. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.