ECLI:NL:RBZWB:2021:813

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 februari 2021
Publicatiedatum
25 februari 2021
Zaaknummer
AWB- 20_7531
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 34 ParticipatiewetArt. 54 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking recht op bijstand wegens schending inlichtingenplicht en vermogen boven vermogensgrens

Eiseres ontving sinds 2013 een bijstandsuitkering. Werkplein ontdekte via een signaal van het Inlichtingenbureau dat eiseres een groot saldo op haar bankrekening had, afkomstig uit een schadevergoeding na een inbraak in haar safeloket. Werkplein vroeg om bankafschriften en aanvullende informatie, maar eiseres gaf niet volledig gehoor aan de inlichtingenplicht.

Werkplein trok daarop het recht op bijstand per 1 juli 2019 in, omdat eiseres vermogen boven de vermogensgrens had en onvoldoende aantoonde dat zij dit vermogen had geschonken. Eiseres stelde dat een groot deel van de bezittingen in het safeloket aan haar dochter toebehoorden en dat zij de contanten aan haar dochter had gegeven, maar kon dit niet met objectief bewijs onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat daardoor niet kon worden vastgesteld of zij recht op bijstand had. De huurovereenkomst en jurisprudentie rechtvaardigen de veronderstelling dat de safeloketgoederen haar vermogen vormden. De stellingen van eiseres en haar dochter waren inconsequent en onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de intrekking van de bijstand. Er was geen proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter I.M. Josten op 25 februari 2021.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het recht op bijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/7531 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [naam woonplaats] , eiseres

gemachtigde: mr. R. Küçükünal,
en
Het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant (Werkplein),verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 4 oktober 2019 (primair besluit) heeft Werkplein het recht op bijstand van eiseres met ingang van 1 juli 2019 ingetrokken.
In het besluit van 1 juli 2020 (bestreden besluit) heeft Werkplein het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Werkplein heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 28 januari 2021. Hierbij waren aanwezig eiseres, haar gemachtigde, haar broer [naam broer] en tolk [naam tolk] . Namens Werkplein waren aanwezig [vertegenwoordiger verweerder] en mr. C.A. den Ottelander.

Feiten en omstandigheden

1. Eiseres ontving met ingang van 7 september 2013 een uitkering naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Op 9 juli 2019 heeft Werkplein van het Inlichtingenbureau een signaal ontvangen dat het saldo van de bankrekening van eiseres op 31 december 2018 € 32.746 bedroeg. Werkplein heeft eiseres naar aanleiding van deze constatering gevraagd de bij deze bankrekening horende afschriften over heel 2017 te verstrekken. Eiseres heeft die afschriften overgelegd.
Vervolgens heeft Werkplein eiseres verzocht om ook de afschriften over het jaar 2018 te verstrekken. Eiseres heeft daarop de bankafschriften over de periode van 1 januari 2018 tot en met 23 december 2018 overgelegd. De laatste pagina ontbrak echter en de herkomst van het bedrag op de rekening van eiseres volgde niet uit de overige pagina’s.
Werkplein heeft eiseres daarom bij brief van 8 augustus 2019 gevraagd ook het bankafschrift over de periode van 23 december 2018 tot en met 31 december 2018 te verstrekken. Eiseres heeft het afschrift overgelegd en daaruit volgt dat op 27 december 2018 een bedrag van € 31.976 op haar rekening is bijgeschreven met de omschrijving ‘Uitbetaling claim safeloket’. Dit bedrag vormt blijkens de door eiseres daarbij overgelegde brief van de Rabobank van 29 november 2018 de uitbetaling op het verzoek om schadevergoeding dat eiseres na de inbraak in het door haar gehuurde safeloket in de Rabobankvestiging in Oudenbosch bij de Rabobank heeft ingediend.
Bij besluit van 19 augustus 2019 heeft Werkplein de uitkering met ingang van 1 juli 2019 geblokkeerd, omdat het recht op bijstand niet te bepalen is. Werkplein heeft eiseres daarbij verzocht om voor 3 september 2019 aanvullende informatie aan te leveren. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en beroep ingesteld (bekend onder zaaknummer BRE 19/5562 PW).
Op 27 augustus 2019 heeft eiseres diverse stukken aan Werkplein verstrekt. Daarop heeft Werkplein haar bij aangetekende brief van 5 september 2019 uitgenodigd voor een gesprek op 12 september 2019. Eiseres is niet op het gesprek verschenen. Werkplein heeft eiseres daarom bij brief van 12 september 2019 opnieuw uitgenodigd voor gesprek op 17 september 2019. Op dat gesprek is zij wel verschenen, samen met haar broer [naam broer] .
Bij het primaire besluit heeft Werkplein het recht op bijstand van eiseres ingang van 1 juli 2019 ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat zij vermogen heeft boven de vermogensgrens. De vergoeding van de Rabobank behoort immers tot het vermogen als bedoeld in artikel 34 van Pro de Participatiewet en eiseres heeft niet aangetoond dat zij dit bedrag heeft geschonken. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bij het bestreden besluit heeft Werkplein het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De grondslag van het besluit is daarbij gewijzigd van artikel 34 naar Pro artikel 54, derde lid, van de Participatiewet.

Beroepsgronden

2. Eiseres stelt, samengevat, dat zij met verifieerbaar bewijs heeft aangetoond dat een groot deel van de sieraden uit het safeloket aan haar dochter toebehoorden. Uit de verklaringen van haar dochter en diens echtgenoot en het taxatierapport blijkt ook dat zij deze aan haar dochter heeft geschonken. Werkplein had hier nader onderzoek naar moeten doen. Ook heeft eiseres aangetoond dat ze de opgenomen contanten aan haar dochter heeft overhandigd. Werkplein heeft volgens eiseres niet zorgvuldig gehandeld, omdat haar dochter niet is gehoord. Werkplein motiveert bovendien niet waarom sierraden uit een bruidsschat niet vallen onder bezittingen in natura. Tot slot stelt eiseres dat op basis van het taxatierapport berekend kan worden wat de waarde van de sieraden was ten tijde van de toekenning van het recht op bijstand.

Wettelijk kader

3. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet bepaalt, voor zover hier van belang, dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17 heeft Pro geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of Werkplein het recht op bijstand van eiseres terecht heeft ingetrokken. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 juli 2019, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 4 oktober 2019, de datum van het intrekkingsbesluit (periode in geding).
4.1
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht. Op het formulier dat zij heeft ingevuld bij haar bijstandsaanvraag heeft zij immers vermeld dat zij niet in het bezit is van antiek of sieraden, terwijl zij tijdens het gesprek van 17 september 2019 zelf heeft verklaard dat zij de sieraden die in het safeloket lagen toen al had. Verder blijkt uit de stukken dat eiseres op 25 juni 2015 de huurovereenkomst voor het safeloket met de Rabobank is aangegaan. Ook daarvan heeft zij geen melding gemaakt bij Werkplein, terwijl dit volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wel gemeld moet worden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:340). Bovendien heeft eiseres geen melding gemaakt van het feit dat het safeloket in maart 2018 is leeggeroofd en van de claim ter hoogte van € 69.750 die zij daarop heeft ingediend bij de Rabobank. Evenmin heeft zij bij Werkplein gemeld dat zij op 27 december 2018 een bedrag van € 31.976 op haar rekening heeft ontvangen en dat zij op 8 januari 2019 een bedrag van € 32.000 in contanten heeft opgenomen.
4.2
Uit de overgelegde huurovereenkomst blijkt dat eiseres de huurder van het safeloket was. Zij heeft tijdens het gesprek van 17 september 2019 bovendien zelf verklaard dat zij de enige was die toegang had tot het safeloket. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB rechtvaardigt het feit dat iemand een safeloket huurt en daar als enige toegang toe heeft de veronderstelling dat de goederen die zich daarin bevinden bestanddeel vormen van het vermogen van die persoon (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:555). Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat het tegendeel het geval is. Zij heeft immers geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de sieraden en gouden munten die zich in het safeloket bevonden geheel of gedeeltelijk van haar dochter waren. Werkplein heeft er ter zitting bovendien terecht op gewezen dat zowel eiseres als haar dochter hier inconsequente verklaringen over hebben afgelegd. De stelling van eiseres dat haar dochter ten onrechte niet is gehoord volgt de rechtbank niet, nu zij aanwezig was tijdens de hoorzitting in bezwaar en haar schriftelijke verklaringen door Werkplein zijn meegenomen in de beoordeling. Van enige onzorgvuldigheid in de besluitvorming is dan ook niet gebleken.
4.3
Nu er sprake is van schending van de inlichtingenplicht levert dat een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre eiseres in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij in de te beoordelen periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad, indien zij destijds wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2949). Eiseres is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Vast staat dat zij in de periode in geding niet meer kon beschikken over de sieraden en gouden munten die in het safeloket lagen, aangezien deze zijn ontvreemd. Eiseres kon echter wel beschikken over een bedrag ter hoogte van € 32.000 dat zij op 8 januari 2019 in contanten heeft laten uitbetalen. Eiseres heeft niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken aangetoond dat zij dit geld aan haar dochter heeft gegeven en daar dus niet meer over kon beschikken. De enkele verklaring van haar dochter en diens echtgenoot zijn daarvoor onvoldoende.
4.4
De rechtbank is dan ook van oordeel dat Werkplein zich terecht op het standpunt stelt dat als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht door eiseres niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde in de periode in geding. Gelet hierop was Werkplein op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet gehouden het recht op bijstand van eiseres in te trekken.
5. Naar het oordeel van de rechtbank kan wat eiseres heeft aangevoerd over bezittingen in natura verder onbesproken blijven, omdat de overschrijding van de vermogensgrens niet ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit. Voor zover de ter zitting door eiseres aan de orde gestelde rol van het Inlichtingenbureau als beroepsgrond kan worden aangemerkt, laat de rechtbank ook deze onbesproken. Eiseres heeft deze grond namelijk tardief aangevoerd en zij heeft nagelaten deze nader te onderbouwen.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond
7. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier op 25 februari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.