Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de verrekening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2020 met een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting 2014. De ontvanger verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat tegen verrekening geen bezwaar en beroep openstaat.
Belanghebbende stelde beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens de zitting werd een wrakingsverzoek tegen de rechter gepasseerd vanwege een eerder toegekend wrakingsverbod. De rechtbank licht toe dat zij niet bevoegd is om inhoudelijk te oordelen over verrekeningen op grond van de Invorderingswet 1990, zoals bepaald in artikel 8:5 Awb Pro en de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
De rechtbank wijst erop dat een geschil over verrekening aan de civiele rechter kan worden voorgelegd en dat de hoorplicht niet is geschonden. Verder verwerpt de rechtbank het verweer dat het ontbreken van bestuursrechtelijke rechtsbescherming in strijd is met Unierecht, omdat belanghebbende een andere rechterlijke mogelijkheid heeft.
Ten aanzien van rentekwesties verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk omdat deze niet in de bestreden uitspraak op bezwaar aan de orde zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het beroep tegen de verrekening en niet-ontvankelijk voor het beroep tegen rentekwesties.