Verzoeker huurt sinds 1996 een woning die door de burgemeester is gesloten voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid softdrugs en een hennepkwekerij. De politie vond onder meer ruim 1,2 kilogram hennep, hasj, hennepolie, weegschalen, verpakkingsmateriaal en wapens. Verzoeker erkent de aanwezigheid van softdrugs en het verstrekken van hennepolie aan derden, maar betwist dat het voor handel was.
De burgemeester baseerde het besluit op meldingen, politieonderzoek en het gemeentelijk beleid dat sluiting voorschrijft bij ernstige overtredingen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester de ernst en noodzaak van de maatregel voldoende heeft gemotiveerd, mede gezien de omvang van de drugs en de feitelijke handel vanuit de woning.
Verzoeker stelt dat de sluiting onevenredig is vanwege zijn psychische en lichamelijke klachten en het verlies van zijn woonplek. De rechter erkent het belang van een stabiele thuissituatie, maar concludeert dat vervangende woonruimte beschikbaar is en dat de gevolgen niet onevenredig zijn. De ontbinding van de huurovereenkomst staat los van het bestuursrechtelijke besluit en wordt civielrechtelijk beoordeeld.
De voorzieningenrechter verwacht dat het besluit in bezwaar zal worden gehandhaafd en ziet geen reden voor voorlopige schorsing. Het verzoek wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.