Eisers ontvingen vanaf 26 oktober 2018 een IOAZ-uitkering, die het college van burgemeester en wethouders van Tilburg op 12 mei 2020 introk en terugvorderde wegens niet gemelde werkzaamheden en aankoop van een voertuig. Het college baseerde dit op een fraudebestrijdingsonderzoek met observaties en verklaringen.
Eisers maakten bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. In het beroep stelde eiseres dat zij werkzaamheden als huishoudelijke hulp had verricht, maar dat de uren en inkomsten beperkt waren en dat dit niet tot volledige bijstand leidde. De rechtbank oordeelde dat het college de bewijslast droeg om de schending van de inlichtingenplicht aan te tonen en dat eisers onvoldoende aannemelijk maakten dat zij recht hadden op (aanvullende) uitkering.
De rechtbank benadrukte dat het niet bijhouden van een verifieerbare administratie en tegenstrijdige verklaringen voor rekening en risico van eisers kwamen. Hierdoor bleef onduidelijkheid bestaan over de inkomens- en vermogenspositie, waardoor het college terecht tot intrekking en terugvordering overging. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.