Op 30 mei 2022 ontving de wrakingskamer een verzoek tot wraking van de leden van de rechtbank in een lopende bestuursrechtelijke procedure. De griffie verzocht de gemachtigde om binnen twee dagen aan te geven tegen welke rechter het verzoek was gericht, aangezien dit niet duidelijk was uit het ingediende verzoek. Er werd geen reactie ontvangen, waardoor de wrakingskamer niet kon vaststellen tegen wie het verzoek zich richtte.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was omdat een wrakingsverzoek zich moet richten tegen een specifieke rechter die betrokken is bij de zaak. Het verzoek tot wraking van “de leden van de rechtbank” is niet toegestaan, zoals bevestigd door jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarom werd besloten geen mondelinge behandeling te houden en het verzoek af te wijzen.
De beslissing werd op 17 juni 2022 door de wrakingskamer genomen en uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De wrakingskamer bepaalde tevens dat de behandeling van de onderliggende zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.