Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewet-uitkering per 22 november 2021 te beëindigen. Zij stelde dat zij door het wegvallen van haar uitkering in een acute financiële noodsituatie verkeert en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitkering door te laten betalen totdat het bezwaar onherroepelijk is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster een spoedeisend belang heeft vanwege de financiële situatie en het ontbreken van een andere uitkering, mede doordat haar verblijfsrecht is ingetrokken. Medisch onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het UWV concludeerden dat verzoekster geschikt is voor haar eigen werk als productiemedewerkster bij een vergelijkbare werkgever.
Verzoekster voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen, maar de voorzieningenrechter vond het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig en de beperkingen adequaat in kaart gebracht. Ook het toekomstige operatieve ingrijpen aan CTS leidt niet tot beperkingen op de datum van beoordeling.
Gezien de medische beoordeling en het oordeel van de arbeidsdeskundige is de beëindiging van de ZW-uitkering terecht. Er is geen grond voor het toekennen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.