Belanghebbende, een in Nederland gevestigde vennootschap met een vaste inrichting in België, kreeg voor de jaren 2013 en 2014 aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd die zij betwistte. De kern van het geschil betrof de toepassing van de foutenleer door de inspecteur om te hoge belasting- en objectvrijstellingen voor buitenlandse ondernemingswinsten te corrigeren, en de vraag of belanghebbende zich met succes kon beroepen op het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende in de aangiften over de jaren 2004 tot en met 2014 onterecht te hoge vrijstellingen had toegepast door een onjuiste afboeking van de herinvesteringsreserve. De inspecteur had deze fouten met toepassing van de foutenleer gecorrigeerd bij de aanslag VPB 2013. De rechtbank oordeelde dat de foutenleer ook van toepassing is op de bepaling van de vrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten, mede gelet op de spiegelbeeldgedachte bij winstbepaling van vaste inrichtingen.
Belanghebbende stelde dat de inspecteur had kunnen navorderen en dat de foutenleer daarom niet toegepast mocht worden, en dat zij zich op het vertrouwensbeginsel kon beroepen vanwege eerdere goedkeuringen van haar aangiften. De rechtbank verwierp deze stellingen: de verlengde navorderingstermijn was niet van toepassing en de foutenleer mocht worden toegepast omdat navordering niet volledig mogelijk was. Ook was er geen sprake van een bestendige gedragslijn van de inspecteur die het vertrouwensbeginsel kon rechtvaardigen.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep gegrond voor de aanslag VPB 2013 en verminderde deze tot € 18.610, terwijl het beroep voor de aanslag VPB 2014 werd afgewezen. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht vergoeden.