ECLI:NL:RBZWB:2022:4140
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugsvondst
Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om zijn woning en schuur voor drie maanden te sluiten vanwege de vondst van middelen en voorwerpen die bestemd waren voor het bereiden van harddrugs. De politie trof onder meer methanolvaten, weegschalen met poederresten, een recept voor synthetische drugs en amfetamine aan.
De burgemeester stelde dat verzoeker wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorwerpen voor drugsvorming bestemd waren. Verzoeker betwistte dit en voerde aan dat hij niet wist van de aanwezigheid van deze goederen, mede door zijn medische situatie en het feit dat anderen toegang hadden tot de woning.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was het besluit te nemen en dat de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel was om drugshandel tegen te gaan en de openbare orde te beschermen. De belangenafweging wees uit dat de sluiting niet onevenredig was, ook niet gezien de medische situatie van verzoeker.
De termijn van drie maanden werd als redelijk beschouwd. Gezien het spoedeisende belang van verzoeker was er wel aanleiding voor een voorlopige voorziening, maar het belang van handhaving van het besluit woog zwaarder. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.