ECLI:NL:RBZWB:2023:7053
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de redelijkheid van de woningsluiting wegens drugshandel in Dongen
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om zijn woning in Dongen voor drie maanden te sluiten vanwege de aanwezigheid van drugsgerelateerde goederen en stoffen. Na een huisbezoek door de politie werden onder meer vaten methanol, weegschalen met poederresten en een recept voor synthetische drugs aangetroffen. De burgemeester handhaafde het besluit ondanks het bezwaar van eiser.
De rechtbank oordeelde dat eiser procesbelang heeft, mede vanwege mogelijke schadevergoeding. Hoewel het besluit aanvankelijk onbevoegd was genomen door het college, werd dit bekrachtigd door de burgemeester, waardoor het bezwaar tegen het bekrachtigingsbesluit centraal stond. De rechtbank stelde vast dat de burgemeester op grond van de Opiumwet bevoegd was tot sluiting en dat de sluiting een geschikt, noodzakelijk en evenredig middel was om drugshandel tegen te gaan.
Eiser voerde aan dat methanol ook legale toepassingen kent en dat het besluit onevenredig was. De rechtbank verwierp dit en wees erop dat eiser op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugsgerelateerde goederen en dat hij geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die de sluiting onevenredig maakten. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat vergelijkbare gevallen ook werden gesloten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bekrachtigingsbesluit ongegrond, handhaafde de woningsluiting en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de bekrachtiging van de woningsluiting ongegrond en bevestigt de sluiting voor drie maanden.