Belanghebbende, werkzaam als fotograaf en filmmaker, voerde beroep aan tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2018 en 2019. De inspecteur had de aanslagen vastgesteld op basis van een belastbaar inkomen uit werk en woning, waarbij was afgeweken van de door belanghebbende ingediende negatieve belastbare winsten. De kern van het geschil betrof de vraag of de activiteiten van belanghebbende konden worden aangemerkt als een bron van inkomen.
De rechtbank hanteerde de criteria dat sprake moet zijn van deelname aan het economisch verkeer, een objectieve voordeelsverwachting en het beogen van voordeel. Tussen partijen was enkel het tweede criterium in geschil. De rechtbank concludeerde dat belanghebbendes activiteiten geen objectieve voordeelsverwachting boden, mede gelet op de langdurige negatieve resultaten en het ontbreken van concrete commerciële afspraken.
Belanghebbende gaf aan dat hij als starter in de filmbranche werkte vanuit passie en dat digitalisering hem dwong opnieuw te beginnen. Hoewel hij achteraf pogingen deed om films te verkopen, bleven concrete opbrengsten beperkt. De rechtbank achtte de financiële risico’s en onzekerheid te groot om te spreken van een bron van inkomen.
De aanslagen en belastingrente werden daarom gehandhaafd en de beroepen ongegrond verklaard. Belanghebbende kreeg geen teruggaaf van griffierecht of vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.