ECLI:NL:RBZWB:2022:4559
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing teruggaafverzoek dividendbelasting buitenlands beleggingsfonds
Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds, verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2009 tot en met 2011. De inspecteur wees deze verzoeken af, wat leidde tot bezwaar en vervolgens beroep bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht de verzoeken heeft afgewezen op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden van een fiscale beleggingsinstelling (fbi), met name niet aan de aandeelhouderseisen en de dooruitdelingseis. De Hoge Raad heeft bevestigd dat deze eisen niet in strijd zijn met het Unierecht en dat de bewijslast bij het fonds ligt.
De rechtbank zag geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie of om af te wijken van de Hoge Raad. Ook een eventueel beroep op het vrije verkeer van kapitaal bood geen soelaas, omdat het rechtsherstel op een wijze zou moeten plaatsvinden die voor belanghebbende niet tot teruggaaf leidt.
Ten slotte werd ook een vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van het buitenlands beleggingsfonds tegen de afwijzing van teruggaaf dividendbelasting wordt ongegrond verklaard.