Belanghebbende, een buitenlands beleggingsfonds, verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2009 tot en met 2014. De inspecteur wees deze verzoeken af, waarop belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht heeft gehandeld, mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi), met name niet ten aanzien van de aandeelhouderseisen en de dooruitdelingseis. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 waarin deze eisen als niet in strijd met het Unierecht zijn beoordeeld.
De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie en wijst de beroepen ongegrond. Tevens bestaat geen recht op rentevergoeding over de ingehouden dividendbelasting. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.