Eiser was ingeschreven op een adres in [plaats 2], waarvan hij eigenaar is, samen met vier andere personen. Naar aanleiding van een signaal van de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit heeft het college een onderzoek ingesteld, waaronder een huisbezoek op 28 oktober 2019. Tijdens dit bezoek werd verklaard dat eiser niet op het adres woonde. Het college heeft eiser meerdere malen verzocht bewijs te leveren van zijn verblijf op het adres, maar hij heeft dit niet gedaan.
Het college beëindigde daarom op 30 oktober 2019 ambtshalve de inschrijving van eiser op het adres en verklaarde het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond. Eiser stelde dat hij veel gereisd heeft en dat hij wel degelijk op het adres woonde, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook betwistte hij de datum van het voornemen en de bevoegdheid van de brievenschrijvers.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht gerede twijfel had over het verblijf van eiser op het adres en dat het aan eiser was om dit aannemelijk te maken. Omdat eiser geen bewijsstukken heeft overgelegd en niet bereid was deze te verstrekken, houdt het besluit van het college stand. Het beroep wordt ongegrond verklaard.