Belanghebbende verkocht magische truffels en bracht deze in de btw-aangifte onder het verlaagde tarief in rekening. De inspecteur legde naheffingsaanslagen op omdat magische truffels volgens hem niet als voedingsmiddelen kwalificeren. De rechtbank beoordeelde of magische truffels onder post a.1 van Tabel I bij de Wet OB vallen, die het verlaagde tarief regelt.
De rechtbank concludeerde dat magische truffels geen voedingsmiddelen zijn, omdat zij worden verkocht en geconsumeerd vanwege hun hallucinerende werking en uitsluitend aan personen boven 18 jaar worden geleverd. Dit strookt niet met de definitie van levensmiddelen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding en werking van het menselijk organisme. Het beroep van belanghebbende op het rechtszekerheidsbeginsel werd verworpen, mede omdat eerdere arresten van de Hoge Raad niet op magische truffels van toepassing zijn.
Belanghebbende verzocht om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, maar de rechtbank zag hiervoor geen aanleiding. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep met ongeveer 7 maanden was overschreden, waardoor belanghebbende recht had op een vergoeding van €1.000. De rechtbank wees de beroepen ongegrond, maar veroordeelde de inspecteur tot betaling van deze vergoeding, proceskosten en griffierecht.