Belanghebbende maakte bezwaar tegen de heffing van omzetbelasting over de levering van magische truffels, stellende dat deze onder het verlaagde tarief voor voedingsmiddelen moeten vallen. De rechtbank beoordeelde of magische truffels als voedingsmiddelen in de zin van de Wet OB kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank stelde vast dat magische truffels vanwege hun hallucinerende werking worden verkocht en geconsumeerd, en dat zij niet dienen voor de instandhouding, werking en ontwikkeling van het menselijk organisme zoals vereist voor voedingsmiddelen. De verkoop vindt uitsluitend plaats aan personen van 18 jaar en ouder, en de aanbevolen hoeveelheden zijn beperkt. Daarom kwalificeren magische truffels niet als voedingsmiddelen en is het verlaagde tarief niet van toepassing.
Belanghebbende voerde een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel aan, verwijzend naar eerdere arresten en een besluit van de Staatssecretaris. De rechtbank verwierp dit beroep, stellende dat het besluit geen eerdere andere standpunten bevatte en dat eerdere jurisprudentie over paddo’s niet zonder meer op magische truffels van toepassing is.
De rechtbank zag geen aanleiding om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, aangezien de procedure binnen twee jaar was afgerond. De beroepen werden ongegrond verklaard en de kosten werden niet vergoed.