Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in België, diende een verzoek om ambtshalve vermindering in voor de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2012. Dit verzoek werd afgewezen door de inspecteur wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn die geldt voor dergelijke verzoeken. Belanghebbende stelde dat zij uitging van een onjuiste startdatum van de termijn en dat zij door een ongeval en emigratie niet tijdig op de hoogte was van de aanslag.
De rechtbank overwoog dat de wettelijke termijn van vijf jaar voor het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering strikt geldt en dat een verzoek na deze termijn slechts in behandeling wordt genomen indien sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. De stellingen van belanghebbende dat zij niet op de hoogte was en dat de post niet werd gecontroleerd, konden niet leiden tot een verschoonbare overschrijding.
Ook het feit dat belanghebbende wel tijdig bezwaar had gemaakt tegen de aanslag in 2015, versterkte het oordeel dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. De rechtbank bevestigde daarmee de afwijzing van het verzoek en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering is ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.