ECLI:NL:RBZWB:2022:4844
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op Wob-verzoek met oplegging dwangsom
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat op zijn Wob-verzoek van 17 juli 2020. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin een uiterste beslistermijn van 31 januari 2022 werd gesteld. Omdat deze termijn niet is gehaald en verweerder nog geen besluit heeft genomen, is het beroep kennelijk gegrond.
Verweerder heeft aangegeven dat de vertraging is veroorzaakt door een te optimistische inschatting van de benodigde tijd en door fouten bij het anonimiseren van persoonsgegevens tijdens de eerste zienswijzeronde. Hierdoor is extra tijd nodig voor een tweede zienswijzeronde en verwerking van zienswijzen. De rechtbank begrijpt de situatie, maar benadrukt het belang van een spoedige beslissing voor eiser.
De rechtbank legt een nieuwe uiterste beslistermijn tot 30 november 2022 op en bepaalt dat verweerder een dwangsom van €500 per dag moet betalen voor elke dag vertraging na deze datum, met een maximum van €75.000. Tevens moet verweerder het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op alsnog te beslissen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op uiterlijk 30 november 2022 alsnog een besluit te nemen onder oplegging van een dwangsom.