Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
- de beroepen tegen de belastingaanslagen Zvw, geregistreerd onder de zaaknummers BRE 21/2587, 21/2589, 21/2591, 21/2593 en 21/2595; en
- de herzieningsbeschikkingen over verliesverrekening, geregistreerd onder de zaaknummers BRE 21/2584 en 21/2585.
2.Feiten
- witwassen;
- medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225 eerste Pro lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;
- medeplegen van oplichting;
- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd
- de woning [adres 1] te [plaats 2] ;
- een geldbedrag van € 15.000 aangetroffen in de woning;
- een geldbedrag van € 1.500 aangetroffen in de woning;
- een geldbedrag van € 8.000 aangetroffen in de woning;
- de Range Rover Sport met kenteken [kenteken 1] ;
- een geldbedrag van € 300 aangetroffen in een externe kluis;
- een geldbedrag van € 829.700 aangetroffen in een externe kluis.
3.Beoordeling door de rechtbank
- i) door belanghebbende in de jaren 2014 en 2015 ontvangen bedragen van [bedrijf 1] ;
- ii) in het jaar 2015 nagekomen baten van de door belanghebbende gedreven onderneming “ [adviesbureau] ” in 2014;
- iii) voor het jaar 2016 van aftrek geweigerde ondernemersfaciliteiten voor ‘ [bedrijf 2] ’;
- iv) het voor 2016 geconstateerde verschil tussen het aangegeven salaris van [bedrijf 2] en de door belanghebbende opgenomen contanten;
- v) op belanghebbendes bankrekening gedane contante stortingen;
- vi) voor het jaar 2017 het meer dan in de aangifte aangegeven aanwezige banksaldo;
- vii) voor alle jaren de toerekening van de bij belanghebbende aangetroffen bedragen en voor de jaren 2016, 2017 en 2018 de geconstateerde stortingen en betalingen, zowel als resultaat uit overige werkzaamheden als (voor de jaren 2015, 2017 en 2018) als belastbaar inkomen uit sparen en beleggen).
- € 24.500 pro rata toegerekend aan de periode 2014 tot en met augustus 2017 (44 maanden)
- € 49.500 pro rata toegerekend aan de periode 2014 tot en met augustus 2017 (44 maanden)
- € 830.000 pro rata toegerekend aan de periode 2014 tot en met half maart 2018 (50,5 maanden)
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de vergrijpboetes;
- vermindert de vergrijpboetes tot nihil;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende vergoedt;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.084 aan proceskosten aan belanghebbende.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;