Verzoekster kreeg op 16 oktober 2019 een besluit van het UWV dat haar Ziektewetuitkering per 17 november 2019 werd beëindigd. Na bezwaar verklaarde het UWV dit besluit op 12 mei 2020 ongegrond, waarna verzoekster beroep instelde. Tijdens de beroepsprocedure werd een deskundigenonderzoek gelast, waarna het UWV op 4 mei 2022 het bestreden besluit herzag en het recht op uitkering herstelde. Verzoekster trok daarop het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat het UWV aan het beroep tegemoet was gekomen en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van €1.518,- voor de beroepsfase. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor bezwaar- en beroepsfase was overschreden, met name door de rechterlijke fase inclusief het deskundigenonderzoek, en kende verzoekster een immateriële schadevergoeding van €500 toe. Deze schadevergoeding werd aan de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) toegerekend.
De rechtbank wees erop dat het griffierecht van €48,- door het UWV moet worden vergoed zonder rechterlijke tussenkomst. De uitspraak werd gedaan door rechter J.E.C. Vriends op 30 augustus 2022 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.