ECLI:NL:RBZWB:2022:5053

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 augustus 2022
Publicatiedatum
31 augustus 2022
Zaaknummer
AWB- 20_7040
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in Ziektewetzaak

Verzoekster kreeg op 16 oktober 2019 een besluit van het UWV dat haar Ziektewetuitkering per 17 november 2019 werd beëindigd. Na bezwaar verklaarde het UWV dit besluit op 12 mei 2020 ongegrond, waarna verzoekster beroep instelde. Tijdens de beroepsprocedure werd een deskundigenonderzoek gelast, waarna het UWV op 4 mei 2022 het bestreden besluit herzag en het recht op uitkering herstelde. Verzoekster trok daarop het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank oordeelde dat het UWV aan het beroep tegemoet was gekomen en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van €1.518,- voor de beroepsfase. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor bezwaar- en beroepsfase was overschreden, met name door de rechterlijke fase inclusief het deskundigenonderzoek, en kende verzoekster een immateriële schadevergoeding van €500 toe. Deze schadevergoeding werd aan de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) toegerekend.

De rechtbank wees erop dat het griffierecht van €48,- door het UWV moet worden vergoed zonder rechterlijke tussenkomst. De uitspraak werd gedaan door rechter J.E.C. Vriends op 30 augustus 2022 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.518,- en de Staat tot een immateriële schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/7040 ZW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2022 op het verzoek om proceskostenvergoeding in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (UWV)
(gemachtigde: mr. B.H.C. de Bruijn),
De Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), verweerder in het verzoek tot schadevergoeding.

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 16 oktober 2019 heeft het UWV, na een zogeheten eerstejaars beoordeling, de uitkering van verzoekster op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd met ingang van 17 november 2019.
1.2
Bij besluit van 12 mei 2020 (bestreden besluit) heeft het UWV de bezwaren van verzoekster tegen het besluit van 16 oktober 2019 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3
Het onderzoek ter zitting in de beroepszaak heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021. Verzoekster en het UWV zijn beide verschenen, bijgestaan hun gemachtigden. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en een deskundigenonderzoek door een verzekeringsarts gelast. De deskundige heeft op 2 februari 2022 gerapporteerd.
1.4
Verzoekster en het UWV hebben op het deskundigenrapport gereageerd. Het UWV heeft, naar aanleiding van het deskundigenrapport, bij besluit van 4 mei 2022 het bestreden besluit herzien en besloten dat verzoekster per 17 november 2019 onverminderd recht heeft op een ZW-uitkering. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en toekenning van een immateriële schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het UWV heeft hierop niet gereageerd.
Overwegingen
2.1
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2.2
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, trekt de rechtbank de conclusie dat het UWV tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoekster.
2.3
De rechtbank veroordeelt het UWV in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich tot de beroepsfase, want verzoekster heeft tijdens de bezwaarfase niet verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De proceskosten in beroep voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
2.4
De rechtbank wijst erop dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is. Verzoekster zal zich hiervoor tot het UWV moeten wenden.
2.5
Verzoekster voert aan dat de procedure geruime tijd in beslag heeft genomen en dat zij hierdoor een bepaalde mate van spanning en frustraties heeft ondergaan. Verzoekster verzoekt voor de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), haar een immateriële schadevergoeding toe te kennen.
2.5.1
Het is vaste rechtspraak [1] dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen in beginsel niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De termijn vangt aan op het moment dat het UWV het bezwaarschrift ontvangt.
2.5.2
Het bezwaarschrift tegen het besluit van 16 oktober 2019 is op 15 november 2019
door het UWV ontvangen. Dit betekent dat de termijn van twee jaar op 15 november 2021 eindigde en dat de redelijke termijn is overschreden. Bij de beoordeling in welke mate de redelijke termijn is overschreden, gaat de rechtbank uit van de datum waarop het tegemoetkomend besluit is bekend gemaakt [2] , namelijk 4 mei 2022. Vanwege de na 15 november 2021 verstreken tijd tot aan het tegemoetkomend besluit (bijna 6 maanden), heeft verzoekster recht op een schadevergoeding van € 500,00 (uitgaande van € 500,- per overschrijding per half jaar of een deel daarvan).
2.5.3
De overschrijding van de redelijke termijn wordt volledig aan de Staat toegerekend [3] , omdat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase niet is overschreden en de behandelduur in de rechterlijke fase (inclusief het door de rechtbank gelaste deskundigenonderzoek) bijna zes maanden te lang heeft geduurd. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500,-. De rechtbank merkt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Beslissing

De rechtbank:
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.518,-;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoekster van
€ 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 30 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:568.
2.Centrale Raad van Beroep 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
3.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.