ECLI:NL:RBZWB:2022:5083
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen verlaging toeslag, terugvordering, boete en aflossingscapaciteit door UWV
Eiser maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV waarin zijn toeslag op de WIA-uitkering werd verlaagd, een te hoog uitbetaalde toeslag werd teruggevorderd, een boete wegens overtreding van de inlichtingenplicht werd opgelegd en zijn aflossingscapaciteit werd vastgesteld.
De rechtbank beoordeelde of het UWV op goede gronden had gehandeld. Het UWV stelde dat eiser zijn pensioenuitkering vanaf 2017 niet tijdig had gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht opleverde. Eiser voerde aan dat hij dit wel had gedaan, maar kon dit niet onderbouwen met bewijs. De rechtbank stelde vast dat het UWV voldoende bewijs had geleverd en dat de terugvordering correct was berekend.
Ook de vastgestelde aflossingscapaciteit werd getoetst. De rechtbank volgde eiser deels in zijn lagere netto pensioenuitkeringsbedrag, maar concludeerde dat de aflossingscapaciteit door het UWV op een gunstiger wijze was berekend dan wettelijk vereist. De boete werd door het UWV verlaagd tot € 552,00, gelijk aan de aflossingscapaciteit over twaalf maanden, wat de rechtbank proportioneel vond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee de herziening van de toeslag, de terugvordering, de boete en de aflossingscapaciteit. Eiser werd vrijgesteld van griffierecht, maar kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de besluiten van het UWV over toeslagverlaging, terugvordering, boete en aflossingscapaciteit.