Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1. Feiten
2. Gronden
3. Spoedeisend belang
4. Voorlopige voorziening
5. Wettelijk kader
6. Omvang van het geding
7. De last onder dwangsom
die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend, en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt, waarbij zorgaanbieders en zorgverleners handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden en waarbij de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht worden genomen en de cliënt ook overigens met respect wordt behandeld. Ook die open norm is uitgewerkt in het toetsingskader. Verweerder heeft de last onder dwangsom ook opgelegd aan verzoekster, omdat zij niet voldoet aan ‘norm 2.2’ die in dat toetsingskader onder ‘Thema Deskundige Zorgverlener’ staat opgenomen en een uitwerking is van artikel 2 van Pro de Wkkgz: verzoekster moet ervoor zorgen dat zorgverleners bij hun zorgverlening en verslaglegging methodisch werken, wat inhoudt dat zij in het cliëntdossier de Plan-Do-Check-Act-cyclus toepassen.
Verzoekster heeft verder aangevoerd dat de veiligheid van de bewoners en de medewerkers niet in het geding is. De voorzieningenrechter leest daar een beroep op ‘de geringe ernst van de overtreding’ in en ‘het niet geschaad zijn van belangen van derden’. De minister heeft in het verweerschrift echter voldoende gemotiveerd aangegeven dat daar geen sprake van is, omdat de kwaliteitsnormen zijn gesteld om de veiligheid van cliënten te waarborgen en dat het niet nakomen van die normen automatisch leidt tot een verhoogd risico voor de cliëntveiligheid.