Eiser was sinds 1 januari 2019 werkzaam als productiemedewerker en werd op 25 februari 2021 op staande voet ontslagen vanwege een handgemeen met een collega waarbij de collega gewond raakte. Het UWV weigerde de WW-uitkering met ingang van 22 februari 2021 omdat eiser verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. Eiser betwistte de feiten en stelde dat het incident buiten werktijd en buiten het terrein van de werkgever plaatsvond, en dat er geen sprake was van een verwonding.
De rechtbank constateert dat het UWV zich baseerde op de ontslagbrief en telefonische verklaringen van de werkgever, maar geen contact heeft gezocht met de collega of camerabeelden heeft bekeken. Ondanks het ontbreken van nader onderzoek passeert de rechtbank deze gebreken omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor is benadeeld.
De kantonrechter heeft bevestigd dat er sprake is van een dringende reden voor ontslag. De rechtbank overweegt dat het geweld tegen een collega een onveilige werksituatie veroorzaakt en dat eiser hiervoor verwijtbaar is. Persoonlijke omstandigheden zijn meegewogen, maar geven geen aanleiding tot een andere beslissing. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het UWV moet het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.