Belanghebbende, enig aandeelhouder en bestuurder van een holding, kreeg een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2016 opgelegd vanwege vermeende uitdeling van bouwkosten garage en privé-werkkamer. De holding had de bouwkosten van een ondergrondse garage betaald, die via een huurovereenkomst werd verhuurd aan de holding.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een uitdeling van de bouwkosten garage, omdat de huurovereenkomst een zakelijke regeling bevatte die vermogensverschuivingen voorkwam. Ook de stelling dat sprake was van een onzakelijke lening wordt verworpen. Wel wordt een uitdeling van 50% van de circuitkosten als privé-element aanvaard.
De belastingrente wordt verminderd in overeenstemming met de aangepaste aanslag. De rechtbank kent belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn met tien maanden. Het verzoek om materiële schadevergoeding wordt afgewezen.
De navorderingsaanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €38.129 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van €4.126. De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.