Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst tot intrekking en terugvordering van zijn recht op bijstand. Hij stelde dat hij alle gevraagde stukken had ingeleverd en dat stukken van zijn partner niet relevant waren omdat zij niet langer op hetzelfde adres woonde.
Het college baseerde de intrekking op het niet aanleveren van bankafschriften van de Belgische bankrekening van verzoekers partner, waarmee volgens het college sprake was van schending van de medewerkingsplicht. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker en zijn partner niet duurzaam gescheiden leefden, ondanks het ontbreken van een gezamenlijk hoofdverblijf, en dat verzoeker daarom gehouden was de gevraagde stukken te verstrekken.
Gezien de acute financiële nood en dreigende uithuiszetting was sprake van spoedeisendheid, maar het college had het recht op uitkering terecht ingetrokken per 1 april 2022. De voorzieningenrechter vond het verzoek om voorlopige voorziening daarom ongegrond en wees het af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.