ECLI:NL:RBZWB:2022:5886

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 oktober 2022
Publicatiedatum
11 oktober 2022
Zaaknummer
AWB- 21_3816
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding Wlz-indicatie

Eiseres diende op 26 februari 2020 een aanvraag in bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af in een besluit van 10 maart 2020. Eiseres diende haar bezwaarschrift tegen dit besluit echter pas op 15 juli 2021 in, ruim na de wettelijke termijn van zes weken die op 26 april 2020 was verstreken.

De kern van het geschil is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank volgt het CIZ en verwijst naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarin wordt gesteld dat een termijnoverschrijding slechts in zeer uitzonderlijke gevallen verschoonbaar is, bijvoorbeeld bij een psychische geestestoestand die het indienen van bezwaar onmogelijk maakte.

Eiseres voerde aan dat de corona-maatregelen haar verhinderden tijdig bezwaar te maken, maar de rechtbank acht dit onvoldoende omdat zij iemand had kunnen machtigen. Ook uit het dossier blijkt niet dat medische problematiek haar verhinderde. De rechtbank merkt op dat eiseres wel in staat was zelfstandig correspondentie te voeren en een aanvraag in te dienen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert op 10 oktober 2022 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding van het bezwaarschrift.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3816 WLZ

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2022 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [naam woonplaats] , eiseres,

en

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), verweerder.

In een besluit van 10 maart 2020 (primair besluit) heeft het CIZ een aanvraag van eiseres om een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen.
In een besluit van 22 juli 2021 (bestreden besluit) heeft het CIZ de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 23 augustus 2022. Eiseres is verschenen. Het CIZ is - met voorafgaande afmelding - niet verschenen.

OverwegingenRelevante feiten en omstandigheden

1. Eiseres heeft op 26 februari 2020 bij het CIZ een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wlz. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft onderzoek plaatsgevonden. Middels het primaire besluit heeft het CIZ een indicatiebesluit afgegeven, waarin is bepaald dat eiseres geen toegang krijgt tot Wlz-zorg.
Eiseres heeft middels een brief van 6 juli 2021 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Het CIZ heeft dit bezwaarschrift ontvangen op 15 juli 2021. In haar bezwaarschrift stelt eiseres onder meer dat zij niet tijdig bezwaar heeft kunnen maken als gevolg van de corona-maatregelen.
In het bestreden besluit heeft het CIZ het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit te laat is ingediend.
Relevante regelgeving
2. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.
Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend als deze voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Waar gaat het in deze zaak (niet) over?
3. Niet in geschil is dat het primaire besluit is verzonden op 10 maart 2020, waardoor de termijn van zes weken om bezwaar te maken is ingegaan op 11 maart 2020. Dit betekent dat het bezwaarschrift uiterlijk op 26 april 2020 ontvangen had moeten worden door het CIZ. Het bezwaarschrift van eiseres is ontvangen op 15 juli 2021. Dit betekent dat het bezwaarschrift meer dan een jaar te laat is ingediend. Dit betwist eiseres ook niet. In deze zaak staat de vraag centraal of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Beoordeling
4. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2020, (ECLI:NL:CRVB:2020:193) wordt de overschrijding van de bezwaartermijn slechts in zeer uitzonderlijke gevallen verschoonbaar geacht. Hiervan kan onder meer sprake zijn als een betrokkene ten gevolge van een psychische geestestoe-stand gedurende de gehele bezwaartermijn buiten staat is geweest om een bezwaarschrift in te dienen, dan wel om hulp van een derde in te schakelen om bezwaar te maken.
5. De rechtbank volgt het CIZ in zijn standpunt dat de betrokken termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De door eiseres hiervoor gegeven reden dat zij als gevolg van de corona-maatregelen niet in de gelegenheid was om eerder een bezwaarschrift in te dienen, is terecht onvoldoende geacht in dit verband. Eiseres had immers iemand kunnen machtigen om namens haar een bezwaarschrift in te dienen. Uit de dossierstukken kan verder niet worden afgeleid dat eiseres door medische problematiek niet in staat was om binnen de bezwaartermijn bezwaar te maken of daarvoor iemand in te schakelen. In dit verband merkt de rechtbank op dat eiseres blijkens de dossierstukken wel in staat is om zelfstandig verschillende brieven te sturen naar diverse instanties. Ook heeft zij zelfstandig een aanvraag ingediend om een Wlz-indicatie.
Conclusie
6. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 10 oktober 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.